Algemeen

De beslissing een in gebruik zijnde staalkabel buiten gebruik te stellen, dan wel nog langer te gebruiken, kan vrijwel nimmer uitsluitend op grond van nauwkeurig vastgestelde waarden worden genomen.

Voor een op de juiste wijze hanteren van de maatstaven die in deze norm voor het afkeuren van staalkabels worden gegeven, is het noodzakelijk enig algemeen inzicht te hebben in hun samenstellingen hun gedragingen tijdens het gebruik.

Bij de vaststelling van de verschillende beoordelingscriteria en hun numerieke waarde wordt ervan uitgegaan dat deze criteria, zoals draadbreuken, slijtage en corrosie, een bepaalde al of niet aanvaardbare vermindering, van de breukbelasting tot gevolg hebben.De breukbelasting die in een gebruikte staalkabel nog aanwezig is in verhouding tot de voor die kabel in NEN 3231 of NEN 2500 vermelde waarde voor de breukbelasting (Pw), wordt de restbreukwaarde genoemd. Deze wordt bepaald op een trektoestel en mag niet minder bedragen dan 75 % van de breukbelasting Pw.

Reeds vóór het in gebruik nemen van een staalkabel kan het noodzakelijk zijn hem af te keuren, b.v. indien hij op ondoelmatige wijze opgeslagen is geweest. Hierdoor kan de touwkern geheel zijn uitgedroogd (bij te droge en warme opslag), ofwel kunnen de staaldraden zwaar zijn geroest (bij te vochtig opslaan).

Ook zal b.v. door verkeerd op of van de haspel of tros wikkelen een staalkabel worden vernield doordat er een kink in wordt getrokken.